De weg van vorst en minister in de Lunyu Xianwen -- een diepgaande studie van welwillendheid en rechtvaardigheid
Dit artikel richt zich op de kernpassages over politieke ethiek in het hoofdstuk Xianwen van de Lunyu (Gesprekken van Confucius), met analyses van Zang Wuzhong, Guan Zhong en hertog Ling van Wei, en onderzoekt Confucius' diepzinnige inzichten over de verhouding tussen vorst en minister, het onderscheid tussen hegemonie en koningschap, en de afweging tussen welwillendheid en rechtvaardigheid.

Hoofdstuk acht -- "Wie zonder schaamte spreekt, zal het moeilijk vinden het in de praktijk te brengen" -- een diepgaand onderzoek naar de verhouding tussen woord en daad
Paragraaf 1: De oorspronkelijke tekst en uitleg
De Meester sprak: "Wie zonder schaamte spreekt, zal het moeilijk vinden het in de praktijk te brengen."
"Zuo" (schaamte) betekent zich schamen. Wie spreekt zonder zich te schamen, zal het moeilijk vinden het in daden om te zetten.
Deze zin lijkt eenvoudig, maar herbergt een uiterst rijke inhoud.
Paragraaf 2: Waarom leidt "spreken zonder schaamte" tot "moeilijk in de praktijk brengen"$37
Op het eerste gezicht gaat deze zin over het probleem van "woord en daad die niet overeenstemmen" -- wie grootspraak verkoopt zonder te blozen, neemt zijn eigen woorden niet serieus en zal ze uiteraard niet in de praktijk brengen.
Op een dieper niveau raakt deze zin aan een fundamenteler vraagstuk: de verhouding tussen zelfbewustzijn en moreel besef.
"Schaamte" is een vorm van zelfbewustzijn. Wanneer u iets zegt, weet u in uw hart of u het kunt waarmaken. Als u weet dat u het niet kunt maar het toch zegt, behoort u zich te schamen. Als u zich niet schaamt, zijn er twee mogelijkheden: ofwel u bent werkelijk in staat het te doen (dan spreekt u vanzelfsprekend zonder schaamte); ofwel u hebt het vermogen tot zelfonderzoek verloren -- u weet niet wat u in huis hebt, u weet niet of uw woorden kunnen worden ingelost.
De laatste categorie is het gevaarlijkst. Want zij bedriegen niet alleen anderen, maar ook zichzelf. Wie zichzelf bedriegt, kan niets waardevols tot stand brengen -- want als men niet eens zijn eigen werkelijke vermogens kent, hoe kan men dan de situatie juist inschatten, een strategie formuleren en tot handelen overgaan$38
Daarom leidt "spreken zonder schaamte" tot "moeilijk in de praktijk brengen" -- wie het schaamtegevoel heeft verloren, heeft ook het vermogen tot zelfkennis verloren, en daarmee het vermogen tot handelen.
Paragraaf 3: De innerlijke samenhang tussen "schaamte" (zuo) en "schande" (chi)
"Zuo" en "chi" zijn nauw verwante begrippen.
De opening van het hoofdstuk -- "Xian vroeg naar schande" -- betreft de reflectie op de vraag of uiterlijk gedrag gepast is. Het huidige "wie zonder schaamte spreekt" -- betreft de reflectie op de vraag of woord en daad innerlijk overeenstemmen.
Beide betreffen een vermogen tot zelfonderzoek -- hebt u de moed om uw werkelijke toestand onder ogen te zien$39 Kunt u eerlijk uw tekortkomingen erkennen$40
De Lunyu (Wei zheng) haalt de woorden van de Meester aan: "Weten wat men weet en weten wat men niet weet, dat is ware kennis." (Zhi zhi wei zhi zhi, bu zhi wei bu zhi, shi zhi ye.) Dezelfde logica geldt hier: kunnen wat men kan en niet kunnen wat men niet kan -- eerlijk erkennen dat men iets niet kan en niet grootspreken, dat is ware moed.
Hoofdstuk 71 van the Most High (Laozi) stelt: "Weten dat men niet weet, dat is verheven; niet weten maar denken dat men weet, dat is een ziekte." Wie "zonder schaamte spreekt" is precies iemand die "niet weet maar denkt te weten" -- hij weet niet dat hij het niet kan, maar denkt dat hij het kan.
De Mengzi (Gongsun Chou shang) bespreekt de "overvloedige levenskracht" (haoran zhi qi) van Master Meng: "Deze kracht is geweldig groot en geweldig sterk; wanneer men haar met rechtzinnigheid voedt en niet schaadt, vult zij de ruimte tussen hemel en aarde. Het is een kracht die bij rechtvaardigheid en de Weg hoort; zonder die, verschrompelt zij." Wie "zonder schaamte spreekt," diens "kracht" is ongetwijfeld "verschrompeld," want woord en daad zijn reeds gescheiden van rechtvaardigheid en de Weg. Wie een "verschrompelde kracht" heeft, zal het uiteraard "moeilijk vinden het in de praktijk te brengen."
Paragraaf 4: De plaats van dit hoofdstuk in de reeks passages
Dit korte hoofdstuk lijkt in vergelijking met de "grote gebeurtenissen" ervoor en erna (Guan Zhongs welwillendheid, hertog Lings niet ten onder gaan, Chen Chengzi's vorstenmoord) onbeduidend. Maar het vervult juist een "scharnierfunctie" -- het onthult een gemeenschappelijk thema van alle voorgaande discussies: het belang van overeenstemming tussen woord en daad.
Zang Wuzhong -- zei "de vorst niet af te dwingen," maar bezette een vesting om te eisen -- woord en daad kwamen niet overeen. Hertog Huan van Qi -- zei "eerbied voor de koning" en handelde dienovereenkomstig -- woord en daad kwamen overeen, dus "oprecht." Hertog Wen van Jin -- zei "eerbied voor de koning" maar ontbood als onderdaan de vorst -- woord en daad kwamen niet overeen, dus "listig." Guan Zhong -- sprak niet van "welwillendheid" maar handelde welwillend -- woord en daad kwamen wellicht niet overeen, maar het handelingsniveau was hoger. Gongshu Wenzi -- bevorderde Zhuan zonder er prat op te gaan -- woord en daad kwamen overeen. Hertog Ling van Wei -- sprak wellicht over bestuur maar handelde zonder deugd -- woord en daad kwamen niet overeen, maar het personeel was juist.
"Overeenstemming tussen woord en daad" is het fundament van politieke ethiek. Een politiek figuur wiens woorden en daden uiteenlopen, verliest alle geloofwaardigheid. De Meesters "wie zonder schaamte spreekt, zal het moeilijk vinden het in de praktijk te brengen" is de bondige formulering van dit grondbeginsel.
Paragraaf 5: De heiligheid van het "woord" in de oeroude cultuur
In de oeroude cultuur was het "woord" niet slechts een communicatiemiddel, maar droeg het een zekere heilige kracht.
Het Shangshu (Da Yu mo) haalt de woorden van keizer Shun aan: "Wanneer ik dwaal, verbetert mij. Stemt niet in met mijn gezicht om achter mijn rug te klagen." -- Als ik fouten maak, verbetert mij. Stemt niet in het openbaar met mij in om vervolgens in het geheim te klagen. De waarde van het "woord" lag hier in zijn "oprechtheid" -- men behoort in iemands gezicht en achter iemands rug hetzelfde te zeggen.
Op een dieper niveau bezat het "woord" in de oeroude magische traditie de kracht om de werkelijkheid te scheppen -- wat men uitsprak, beinvloedde de werkelijke wereld. Daarom waren "eedformules en verbondsverklaringen" zo belangrijk in de oeroude politiek -- de woorden die men in een verbond uitsprak, werden geacht werkelijke kracht te bezitten. Wie het verbond schond, zag de vloek bewaarheid worden.
Het Shijing (Weifeng, "Meng") zingt: "Uw eden klonken plechtig en oprecht; u dacht niet dat gij ze zou breken." De vrouwelijke verteller klaagt de ontrouwe minnaar aan -- eens klonken zijn eden plechtig en oprecht, later werd hij harteloos en trouweloos. Hier werd de heiligheid van het "woord" verraden.
Wie "zonder schaamte spreekt" zijn precies degenen die de heiligheid van het "woord" niet serieus nemen. Zij doen lichtvaardig beloften, slaan lichtvaardig met grootse woorden, want zij geloven niet dat het "woord" werkelijke kracht bezit en achten zich niet verantwoordelijk voor hun woorden. Dit lichtzinnig omgaan met het "woord" is vanuit oeroud cultureel perspectief een daad die grenst aan "heiligschennis" -- men schendt de heiligheid van het "woord."